Politiek

Radicale nieuwe koers in Angola blijft uit

Jon Schubert – IPS. De Angolese president João Lourenço moet twee jaar na zijn aantreden een lastige koers varen tussen continuïteit en radicale hervormingen. En gewone Angolezen zijn inmiddels sceptisch, zegt Jon Schubert, politiek antropoloog aan de Brunel-universiteit in Londen.

Een hardnekkige economische crisis dwingt de nieuwe president tot stevige maatregelen om de economie te openen voor concurrentie en nieuwe buitenlandse investeringen aan te trekken, en de afhankelijkheid van olie te verminderen.

Om dat te bereiken, moet hij het land losmaken uit de wurggreep van de elite, die sterke invloed heeft op belangrijke sectoren van de economie. Dit zijn concurrerende belangennetwerken binnen de regerende Volksbeweging voor de Bevrijding van Angola (MPLA) en de veiligheidsdiensten. Die netwerken werden door de vorige president José Eduardo dos Santos zorgvuldig gecultiveerd tijdens zijn 38-jarige bewind, door gebruik te maken van de inkomsten uit olie.

Dit leidde onder meer tot geldverspilling, inefficiëntie, het ontstaan van monopolies met politieke banden en grootschalige verduistering.

Maar om die wurggreep te verzwakken, is Lourenço afhankelijk van steun van de MPLA. Dus kan hij zich niet openlijk tegen al deze verschillende belangen keren, maar moet hij zeer voorzichtig te werk gaan.

Euforie
De aanvankelijke euforie die gepaard ging met het presidentschap van Lourenço is weggeëbd. Angolezen kampen met de realiteit van een disfunctionele politieke economie die beter bestand blijkt tegen verandering dan gehoopt.

Het begon echter met een goede start. Lourenço diende zich in 2017 aan als belangrijkste MPLA-kandidaat om Dos Santos op te volgen. Hij voerde campagne onder het motto: 'Verbeter wat goed is, verander wat slecht is.'

Hij werd gezien als loyaal aan Dos Santos en een man van continuïteit en riep daarmee in eerste instantie weinig enthousiasme op. De MPLA won de verkiezingen met 61 procent van de stemmen – een uitslag die betwist werd door de oppositie. Toch bleek uit de uitslag een verminderde dominantie van de partij die het land al bestuurde sinds de onafhankelijkheid van Portugal in 1975.

Maar Lourenço wordt beschuldigd van getalm en besluiteloosheid. En de belofte van verandering die hij deed toen hij president werd, moet zich nog vertalen in verbetering van de leefomstandigheden van een meerderheid van de Angolezen.

Veelbelovende start
Kort na zijn aantreden verraste Lourenço iedereen, inclusief zijn critici. Hij gebruikte de bijna absolute grondwettelijk macht van de president om een duizelingwekkende golf van ontslagen in gang te zetten die veel oude Dos Santos-bondgenoten trof. Als eerste haalde hij de kinderen van Dos Santos van invloedrijke economische posten. Hij gaf zelfs toestemming voor een strafrechtelijk onderzoek naar hun handel en wandel.

Lourenço opende ook de staatsmedia voor meer diverse en kritische stemmen en nodigde dissidenten, die onder Dos Santos werden vastgezet, uit in het presidentieel paleis. En hij reikte een medaille uit aan twee mensenrechtenactivisten voor hun verdiensten voor het land.

Deze acties waren zeker opvallend, gezien de geschiedenis van het land waarin politieke dissidentie de kop werd ingedrukt met een 'angstcultuur' en actieve repressie.

Het uitblijven van betere levensomstandigheden leidt echter tot teleurstelling bij de bevolking.

Geen schoon schip
Toen de prijs van ruwe olie op de wereldmarkt daalde, eind 2014, van ongeveer 110 dollar naar minder dan 50, stortte dat het land in een diepe economische crisis waarvan het nog steeds niet hersteld is.

De crisis liet zien hoe kwetsbaar en onhoudbaar de wonderbaarlijke groei van Angola in de voorgaande tien jaar was. Hoewel de olieprijzen dit jaar langzaam zijn hersteld, is de situatie nog steeds ernstig. De kosten van levensonderhoud rezen de pan uit. En de nationale munt, de kwanza, verliest nog steeds waarde.

Ondanks het ontslagspektakel direct na Lourenço’s aantreden, lijkt het dat gevestigde economische belangen zegevieren. Sommigen beweren zelfs dat de nieuwe president niet echt schoon schip maakt, maar de oude elite vervangt voor een nieuwe, die deels overlapt met de oude.

Er zijn twijfels of hij daadwerkelijk corruptie wil bestrijden, vooral na zijn handelen in een zaak rond de voormalige vicepresident Manuel Vicente. Die wordt in Portugal beschuldigd van corruptie. Lourenço onderhandelde met de Portugese autoriteiten om Vicent berecht te krijgen in Angola. Toen de zaak eenmaal was overgedragen aan Angola, verklaarde de Angolese procureur-generaal echter dat de voormalige vicepresident immuniteit genoot en daarom niet vervolgd kon worden. Vicente werd vervolgens Lourenço’s adviseur voor de oliesector, een onopvallende, maar zeer invloedrijke positie.

Scepticisme
En dan was er nog een andere grote corruptiezaak. In die zaak rond de Fundo Soberano de Angola, een overheidsfonds, werden de zoon van de voormalige president en zijn partner vrijgelaten. Dit nadat het geld werd ‘teruggevonden’ bij buitenlandse banken en geïnvesteerd bleek in onder meer vastgoed in binnen- en buitenland. Ook deze ontwikkelingen riepen vragen op over de straffeloosheid van de politieke elite.

En terwijl de internationale aandacht op de economie gericht is, wordt in de olierijke provincie Cabinda de roep om grotere politieke en economische autonomie door het leger onderdrukt.

Het binnenhalen van extra IMF-geld wordt gezien als een van de grootste successen van Lourenço. Maar Angolese economen zijn sceptisch over de impact daarvan. Ze beweren dat de orthodoxe economische recepten zoals bezuinigingen en de introductie van BTW de bevolking hard zullen raken.

Belangrijker nog is dat deze extra financiën de structurele economische problemen niet aanpakken. Die problemen zijn een gevolg van jarenlange corruptie en inefficiënte, verspillende uitgaven.

De echte vraag voor de Angolezen blijft waarom hun voormalige leiders wegkomen met hun jarenlange praktijken waarbij ze de rijkdom van het land in het buitenland onderbrachten.

Bron: The Conversation

Reacties

Geef een reactie