Focus Op Liberia En Mali

Het einde van de Mali-missie, en nu?

Fred van der Kraaij. Op woensdag 1 mei j.l. is een begin gemaakt met de terugtrekking van 250 Nederlandse militairen uit Mali. De Nederlandse Mali-missie (de deelname aan de VN-missie MINUSMA) was in april 2014 begonnen, aanvankelijk met 450 militairen, precies vijf jaar geleden.

De Nederlandse Mali-missie, die al vanaf het begin een onmogelijke missie werd genoemd, heeft naar schatting een half miljard euro gekost. In totaal hebben er zo’n 6000 Nederlandse miliairen aan deelgenomen.

Op deze site staat een uitvoerig artikel van Aart van der Heide over ‘Het einde van de Nederlandse militaire missie in Mali’. De geïnteresseerde lezer zij naar zijn artikel verwezen. Er komen interessante vragen aan de orde, bijvoorbeeld: 'Is de missie mislukt?' Het is te hopen dat er ooit een gedegen, onafhankelijke evaluatie zal worden uitgevoerd, maar in feite zullen de conclusies ervan als mosterd na de maaltijd zijn. Het is misschien relevanter en interessanter om naar de toekomst te kijken. Ik doe dit graag aan de hand van drie punten.

Allereerst een verduidelijking. Het is niet zo dat Nederland met de terugtrekking van de laatste 250 militairen nu niet meer deelneemt aan MINUSMA. Er blijven na 1 mei en tot en met 2021 nog twee of drie Nederlandse militaire stafofficieren actief op het MINUSMA hoofdkwartier in Bamako, terwijl er 10 Koninklijke Marechaussee en politiefunctionarissen ingezet blijven worden ten behoeve van UNIPOL, onderdeel van MINUSMA. Daarnaast blijft Nederland deelnemen aan gelieerde EU-missies: 5 militairen bij de EU-trainingsmissie in Mali (training van het Malinese leger) en 15 functionarissen aan andere EU-missies in de Sahel (Mali, Niger, G5).

Verder, er vinden interessante ontwikkelingen plaats binnen het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken en met name het onderdeel dat geleid wordt door minister Kaag, officieel minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, kortheidshalve ‘Ontwikkelingssamenwerking (OS)’ genoemd. Vorig jaar ontvouwde minister Sigrid Kaag een nieuw beleid voor de bilaterale samenwerking met ontwikkelingslanden met zogenoemde focusregio’s. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft verschillende focusregio’s geselecteerd en een ervan is de Sahel. Deze focusregio omvat de volgende zes landen (in alfabetische volgorde): Burkina Faso, Mali, Mauritanië, Niger, Senegal en Tsjaad (zie kaartje). De komende jaren zal de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking zich met name richten op deze landen. Drie landen zullen speciale ‘OS-aandacht’ krijgen: Burkina Faso, Mali en Niger. De andere drie landen krijgen OS-aandacht binnen een ‘breder buitenlands beleid’. In de praktijk betekent dit dat ze uit verschillende potjes (budgetten) financiering kunnen ontvangen.
Dit is een verheugend besluit, maar natuurlijk komt het straks op de invulling van deze voornemens aan voordat we echt reden hebben om te juichen. ‘The proof of the pudding is in the eating’ zeggen de Engelsen, ‘de praktijk zal het moeten uitwijzen’. De Sahel is een van de armste regio’s van Afrika. Nederland heeft hier van oudsher nauwe relaties mee (gehad). En hiermee kom ik aan mijn volgende punt.

Tien jaar geleden heeft de onafhankelijke evaluatiedienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken een omvangrijke evaluatie van het Nederlandse bilaterale Afrika-beleid uitgevoerd. Een van de hoofdconclusies was dat ‘ownership een wassen neus was’. ‘Ownership’ staat voor zeggenschap van ontvangende landen. In de praktijk bepaalt de donor wat er gebeurt. Dit laatste bleek weer eens ten overvloede tijdens een grondige herziening van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. In 2011, ten tijde van het staatssecretarisschap van Ben Knapen (toen staatssecretaris voor OS, tegenwoordig lid van de Eerste Kamer) werd besloten om 18 (!) ontwikkelingslanden af te voeren van de lijst van ontvangers van OS-geld, waaronder Burkina Faso (overigens in strijd met de selectiecriteria). Nederland had sinds ongeveer 1975 een hechte OS-relatie met Burkina Faso, waar ons land tot de belangrijkste en invloedrijkste donoren behoorde. De Tweede Kamer ging zonder noemenswaardige discussie akkoord met het Nederlandse vertrek uit Burkina Faso, wat in 2013 definitief werd met de sluiting van de Nederlandse ambassade in Ouagadougou. Nog maar zes jaar geleden…. En nu …. Het ministerie van Buitenlandse Zaken maakte bekend dat er ambassades (ambassadekantoren) worden geopend in …. Burkina Faso, Niger en Tsjaad. De ontwikkelingssamenwerking wordt hervat met de zes Sahellanden, waar Nederland in de vorige eeuw al een ontwikkelingsgsprogramma had. Ik heb zelf de eer gehad om op de Nederlandse ambassade in Dakar, Senegal te mogen werken, belast o.a. met de monitoring van ontwikkelingsprojecten in de zes Sahellanden in het ambtsgebied van de ambassade (Senegal, Gambia, Kaap Verdië, Guinee-Bissau, Mauritanië en Mali). Ik kan niet anders dan blij zijn met de nieuwe beleidsvoornemens, ook al is er van enige inbreng van de ‘focus-landen’ geen sprake.

Tot slot een opmerking over de keuze van de focusregio’s. Helaas ook niets nieuws onder de zon. In 1984 kwam de beleidsnota ‘Herijking van het bilaterale beleid’ uit. De benaming ‘concentratielanden – zoals de ontvangers van Nederlands OS-geld tot dan werden genoemd – werd vervangen door ‘programmalanden’. Tegelijkertijd werden er drie programmaregio’s gecreëerd. Een van de drie was ‘de Sahel’ (en omvatte toen negen Sahellanden). Toen programmaregio’s, nu focusregio’s. Ik hoop oprecht dat er nu eens een einde komt aan dit ‘jojo-beleid’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken / Ontwikkelingssamenwerking. Nederland moet zijn partners in de Sahel, en ook elders, serieus nemen. Aan hen de keuze: hoelang de Nederlandse inzet duurt, en waaraan het Nederlandse ontwikkelingsgeld wordt besteed. De Nederlandse deelname aan MINUSMA is een typisch staaltje van ‘donor-driven’ ontwikkelingssamenwerking (het halve miljard dat de Mali-missie heeft gekost kwam ten laste van de OS-begroting) en is niet meer van deze tijd.

Meer artikelen over

Reacties

Geef een reactie