Focus op Liberia en Mali

Meer over plucheplakkers in Afrika

20150526Fred van der Kraaij. Het artikel van Mart Hovens over plucheplakkers in Afrika is me uit het hart gegrepen. Mart Hovens noemt veel landen in Afrika waar plucheplakkers gekleefd zitten aan hun comfort, macht, corrupte praktijken, nepotisme, antidemocratische gezindheid en mensenrechtenschendingen.

Veel lof en hulde aan de schrijver die een belangrijk probleem aanroert. Vanzelfsprekend is het niet doenlijk om in een verhaal alles over dit onderwerp te zeggen dus neem ik graag de draad op en ga verder met een vraag die het artikel bij mij opriep. Hoe kan het gebeuren dat in zoveel landen – Mart Hovens noemt er maar liefst zestien – presidenten van geen wijken willen weten. En hij noemt niet eens de gekroonde koningen in Marokko, Swaziland en – zij het in mindere mate – Lesotho, waar niet eens presidentiële verkiezingen worden gehouden!
Ik wil deze bijdrage beginnen met een terugblik op de (korte) geschiedenis van ‘Afrika’ na de dekolonisatie. Gemakshalve starten we in 1960, het jaar waarin de meeste Afrikaanse landen (in naam) onafhankelijk werden. Natuurlijk waren daar uitzonderingen bij, zowel vóór als na dit historische jaar hesen nieuwe machtshebbers in een aantal landen de nieuwe nationale vlag. De periode 1960 – 1990 (ruwweg) werd gekenmerkt door eenpartijstaten waar de zittende president bleef zitten tot een militaire coup hem verjoeg of hij in het harnas stierf. Deze periode eindigde met het einde van de Koude Oorlog dat een nieuwe fase inluidde van meerpartijensystemen en gekozen presidenten. In deze fase zitten we nu. Presidentswisselingen gebeuren in deze fase via meerpartijenverkiezingen. Militaire staatsgrepen zijn niet meer populair, zelfs in de ban gedaan door de Afrikaanse Unie, de Europese Unie, de VS en andere landen. Immers, het is nu niet meer nodig om corrupte en impopulaire presidenten in het zadel te houden: de Koude Oorlog rivaliteit is (was moeten we nu eigenlijk zeggen) voorbij na de implosie van de Sovjet-Unie. Recentelijk winnen geopolitieke en economische belangen terrein die maken dat Westerse regeringen een oogje dicht knijpen waar het gaat om het tolereren van dictators en andere corrupte politici.
In het Grote Meren gebied leidt dit tot het ‘mond dicht houden’ over het aan de macht blijven van president Museveni in Oeganda (sinds 1986) en Kagame in Rwanda (officieel sinds 2000, feitelijk sinds 1995). ‘Sterke man’ Paul Kagame houdt het licht ontvlambare Rwanda rustig, zorgt voor een indrukwekkend economisch herstel, maar dit gaat ten koste van de mensenrechtensituatie. In het even kwetsbare buurland Burundi is geen sterke man en de politieke ambities van de zittende president Nkurunziza leiden tot politieke instabiliteit en dat druist in tegen het geopolitieke belang van een politiek rustig en stabiel Grote Meren gebied. In de Hoorn van Afrika hebben de Amerikanen hun grootste, permanente legerbasis op het Afrikaanse continent in het kleine maar strategisch gelegen Djibouti. Het land grenst aan Eritrea, Ethiopië en Somalië (Somaliland) en aan zowel de Rode Zee als de Golf van Aden. Het Amerikaanse legerkamp Lemonnier huisvest naar schatting 4.000 militairen en speelt een cruciale rol speelt in de anti-terreur strijd in de regio. Djibouti wordt sinds de onafhankelijkheid in 1977 bestuurd door één familie. Om dezelfde geopolitieke redenen wordt president Afewerki van Eritrea, eveneens strategisch gelegen aan de Rode Zee, niets in de weg gelegd, ook al is hij een van de langst zittende presidenten van Afrika (sinds 1991 aan de macht) en ontvluchten Eritreeërs massaal de dictatuur in het land, ook wel de grootste openluchtgevangenis van Afrika genoemd. In het Centraal-Afrikaanse land Tsjaad wordt, om dezelfde militaire en geopolitieke motieven, President Déby geen strobreed in de weg gelegd noch door Frankrijk noch door de Amerikanen. Tsjaad en President Déby, sinds 1990 na een militaire staatsgreep aan de macht, spelen een sleutelrol in het bedwingen van de politieke onrust in Mali (West-Afrika), de Centraal Afrikaanse Republiek (Centraal-Afrika) en Libië (Noord-Afrika). Het hoofdkwartier van de Franse militaire interventiemacht Barkhane (3.000 militairen) is in Tsjaad gelegen.
In olierijke landen spelen economische belangen van buitenlandse ondernemingen en hun regeringen een grote rol. Is het toeval dat twee van de langstzittende presidenten in Afrika over landen heersen met grote olievoorraden? In het kleine Centraal-Afrikaanse land Equatoriaal Guinee heerst Afrika’s langst zittende president, sinds 1979 is Teodoro Obiang Nguema er heer en meester. Sinds 1991 zijn in het land meerdere politieke partijen toegestaan maar verkiezingen zijn een farce. Ook Angola voerde in 1991 een meerpartijenstelsel in, maar ook hier vormde dit geen bedreiging van de positie van de president. Eduardo Dos Santos is ook sinds 1979 aan de macht. Zijn dochter Isabel is de rijkste vrouw van Afrika. Ook in het olierijke Gabon roept de machtsdeling vragen op. In 2009 volgde Ali Bongo zijn vader op, Omar Bongo had met steun van voormalige kolonisator Frankrijk het land vanaf 1967 in een ijzeren greep gehouden.
Dat verschijnsel, ‘zoon volgt vader-president op’, zien we in nog een aantal landen. In een andere voormalige Franse kolonie, het West-Afrikaanse Togo, overleed in 2005 president Eyadéma Gnassingbé, na 38 jaar aan het bewind te zijn geweest. Hij was in 1967 via een militaire staatsgreep president geworden. Het leger installeerde zijn zoon Faure als zijn opvolger. Later werd dit via verkiezingen gelegitimeerd. Begin mei 2015 is Faure Gnassingé – na betwiste verkiezingen – aan een derde regeertermijn begonnen. Togo wordt aldus bijna een halve eeuw door één familie geregeerd. Tot slot, de Democratische Republiek Congo (DRC). Nadat President Laurent Kabila in 2001 door zijn lijfwacht was doodgeschoten volgde zoon Joseph hem op. Zijn herverkiezingen, in 2006 en 2011, werden erg betwist. Onlangs maakt President Joseph Kabila bekend zich niet beschikbaar te stellen voor een nieuwe termijn. Deze keer dus goed nieuws, maar ‘eerst zien, dan geloven’ lijkt gerechtvaardigd.
Afrika telt 54 onafhankelijke, internationaal erkende staten en een aantal niet-erkende gebieden. Ik heb er tien de revue laten passeren en we zijn nog niet aan het einde van ons overzicht. Toch wil ik hier even pas op de plaats maken voor twee andere aspecten. Ten eerste, de kwestie van corruptie en mensenrechtenschendingen. Ten tweede, waarom slikken Afrikanen het machtsmisbruik van hun leiders – of doen ze dit niet?
Er is een duidelijke relatie tussen plucheklevers, corruptie en mensenrechtenschenders. Waar presidenten ongelimiteerd hun regeertermijn kunnen verlengen ontbreekt altijd de scheiding der machten, zoals de ‘trias politica’ ook wel wordt genoemd. Op dit principe zijn onze westerse democratieën gebaseerd: de scheiding van de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht. In landen waar plucheklevers heersen ontbreekt een systeem van ‘checks and balances’. Aldus kunnen zij ongestraft een greep in de kas doen, oppositie monddood maken, de pers knevelen, en door een aantal vazallen aan hen te binden verzekeren deze plucheklevers zich van de steun van medeplichtigen die vervolgens zowel vanwege financieel gewin als om hun straf te ontlopen alles zullen doen om het bestaande systeem voort te zetten.
En de bevolking? Wat is hun rol? De ‘Arabische lente’ heeft laten zien dat de massa in de straat, door Mart Hovens ‘ruecratie’ genoemd, een belangrijke rol speelt. Lang zittende leiders in Egypte en Tunesië moesten erdoor het veld ruimen, al is helaas alleen in Tunesië hoop op meer democratie overeind gebleven. Ook in Burkina Faso moest president Compaoré vluchten nadat de straat in opstand was gekomen tegen zijn plannen om de Grondwet te wijzigen om nóg een termijn aan te blijven. Frankrijk dekte zijn smadelijke aftocht en beloonde hem voor zijn steun in de jaren dat hij de scepter over dit West-Afrikaanse land zwaaide – sinds de moord op zijn vriend, Thomas Sankara, in 1987 – met een vlucht per helikopter naar buurland en vriend, president Ouattara van Ivoorkust.
Vorige week kwamen leiders van 15 West-Afrikaanse landen bijeen in Ghana. Tijdens deze bijeenkomst van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) lag een voorstel op tafel om voortaan de regeertermijn van West-Afrikaanse presidenten te beperken tot twee termijnen. Het voorstel haalde het niet als gevolg van de tegenstand van twee landen: Togo en Gambia. President Faure Gnassingbé van Togo is net aan een derde termijn begonnen. Yahya Jammeh, president van het miniscule Gambia maar de grootste dictator van West-Afrika, is na een militaire coup sinds 1994 aan de macht. Hij is inmiddels aan zijn vierde termijn bezig.
Togo en Gambia zijn kleine, geopolitiek noch economisch erg interessante landen voor de buitenwereld. Maar West-Afrika is genoeg in beweging, er is genoeg onrust, met name in de Sahel regio waar moslim-fundamentalisten, terroristen, drugssmokkelaars en separatistische Toearegs veel onrust en politieke instabiliteit veroorzaken. Gelukkig verliepen de recente presidentiële verkiezingen in Nigeria, ‘de reus van Afrika’, voorbeeldig en erkende de verliezende, zittende president Goodluck Jonathan, snel zijn verlies tegenover de winnaar van de verkiezingen, Buhari. Het is niet alleen maar kommer en kwel in Afrika.

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *