Aart en Afrika

Grand frère: ver weg van Den Haag maar in Afrika!

Aart van der Heide. Onlangs las ik het boek Kaaskoppen van Robert Vuijsje. Het handelt over racisme in Nederland. Een heel goed boek waarin Robert de ervaringen inventariseert van Nederlanders die niet blond zijn en geen blauwe ogen hebben. Robert komt zelf uit een rijke joodse familie uit Amsterdam Zuid maar wordt vaak aangezien voor een Marokkaan.

In zijn eerste boek Alleen maar nette mensen schrijft hij zijn voorkeur voor zwarte vrouwen. Hij is ook getrouwd met een vrouw uit Suriname. Prachtige boeken die ik pure antropologie noem. Deze boeken hebben mij als 50+ blanke man die een groot deel van zijn arbeidzame leven in Afrika heeft verkeerd de ogen geopend. Ik kende deze wereld niet. Dank je Robert Vuijsje.

Ik kwam met deze Nederlandse werkelijkheid in aanraking toen ik reageerde op een kolom van de hoofdredacteur van een vakblad voor internationale samenwerking. Ik reageerde op een vrijdagmiddagkolom van hem waarin verteld werd dat een redactrice door haar kruk zakte tijdens het jury schap om de slechtste reclamespot van een NL ontwikkelingshulporganisatie om geld te verkrijgen voor hun activiteiten hier. Mijn reactie was eenvoudig dat het z.g. Save the Children filmpje een beeld gaf dat ik nog vaak in Afrika zie enz. De reactie van de redactrice was nogal fel: Ik was zeker ook zo’n 50+ blanke man uit de ouderwetse ontwikkelingssamenwerkingswereld die volop geprofiteerd had van de ellende in Afrika. Ik voelde me nogal aangevallen en toen de hoofdredacteur partij koos voor z’n redactielid heb ik mijn abonnement maar opgezegd. Ik wilde niet meer tot die wereld behoren. Ik had de hoofdredacteur een aantal malen om een gesprek gevraagd om dit op z’n Afrikaans uit te praten maar kreeg helaas nooit een reactie. Typisch Nederlands?

Na een lang gesprek met William Deyman die in Dakar woont en daar probeert projecten op te zetten om werkloze jongeren aan het werk te helpen, begreep ik de werkelijke betekenis van het feit dat wij in Afrika vaak ‘grand frère’ genoemd worden. Een eretitel die aangeeft dat we één van hen zijn geworden. Hij in Senegal en ik in Mali proberen vanuit de gedachtegang of ‘mindset’ van de Afrikanen daar te begrijpen hoe hun leven eruit ziet. De vele opgeleide jonge mensen die nooit zicht op werk hebben zitten nu dagelijks thee te drinken en dromen over hun vertrek naar Europa waar ze hopen geld te verdienen. Zelf verwonder ik me al jaren over de vele vaak goed bedoelde pogingen van allerlei organisaties om te helpen in deze woelige maatschappijen. Mijn vraag is altijd geweest hoe de Afrikanen dit beleven. Ze krijgen vaak wel een goede baan bij deze hulporganisaties en leren ook over deze nieuwe denkwereld. Zelf heb ik ook lang in deze wereld gewerkt maar hoor door mijn wijze van werken van de Afrikanen dat ik eigenlijk één van hen ben. Zo evalueerde ik in 2014 een groot programma in Malawi en prees hen voor de goede opzet en vooral voor het feit dat ze nog nooit een blanke buitenlandse deskundige hadden ingevlogen. Een jaar later vroegen ze mij hen te helpen. Toen ik het hoofd van het programma ontmoette en hem daarover aansprak begon hij te lachen en zei: Aart, je bent toch een vriend van ons! Ook overkwam me dat ik in Mali toen het hoofd van een grote maatschappelijke organisatie mij vroeg een Power Point voorstelling te maken over een project dat we samen hadden uitgevoerd. Hij was blij met mijn voorstel en vroeg mij hoe hij dat kon leren. Ik vroeg hem toen waarom heb je na 50 jaar onafhankelijkheid nog steeds een Europeaan nodig om dat voor je te maken. Antwoord: Aart je bent toch één van ons! Onlangs in Angola werd ik overal als ‘amigo’ van Angola ontvangen terwijl ik geen cent te vergeven had.

William zei in een reactie dat ik in Mali net als hij in Senegal 'Grand Frère' genoemd wordy. Dat is een eretitel die in Nederland onder de échte ontwikkelingswerkers echter niet altijd gewaardeerd wordt. Wat weten Aart en ik nou écht van Mali en Senegal. Wij gaan immers intensief om met de 'onderontwikkelde' lokale mensen. Zo worden we nooit echte kaaskoppen’. Maar we ergeren ons wel steeds meer aan al die deskundigen die steeds weer met oplossingen komen. Uit eigen ervaring weet ik dat vele Afrikaanse intellectuelen daar echt heel moe van worden. Onlangs heb ik dat weer in Tsjaad mee gemaakt. Ik was het oneens met de Franse missieleider. Heb toen de nationale coördinator gezegd dat dit voorstel door de strot wordt geduwd. Als het over vijf jaar geëvalueerd wordt en geen impact te meten is dat dan de Franse en Belgische evaluatoren zullen denken dat die Afrikanen het niet kunnen.

Met dit artikel wil ik dus een kritische noot laten horen over de gehele vooral blanke hulpindustrie. Bezinning is nodig en die is er zeker. Afrika is echt volwassen geworden. Ik stel dan ook dat er zeker grands frères en grandes sœurs zijn. Ik denk zelfs velen! Onze westerse cultuur waarin individualisme hoog ontwikkeld is heeft via ons koloniale verleden met o.a. Afrika, een heel grote invloed gehad op de ontwikkeling van Afrika. Afrikanen weten dat heel goed. Wij zeggen dan dat het onze voorouders waren. We zullen meer moeite moeten doen hun gedachtengoed te begrijpen. Robert Vuijsje schrijft in zijn interviews vaak over ons superieure blanke denken. Ik ben me daar dan ook steeds vaker van bewust.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *