Focus op Liberia en Mali

Een kaartenhuis – Mirjam Tjassing over de crisis in Mali

Fred van der Kraaij. Medio 2018 verscheen ‘Mali: Een kaartenhuis. Getuigenis van een crisis’, van de hand van Mirjam Tjassing. De schrijfster was politiek en cultureel medewerkster van de Nederlandse ambassade in Bamako en heeft de afgelopen zes jaren van dichtbij meegemaakt hoe een uit de hand gelopen rebellie van een handvol lagere legerofficieren ontaardde in een militaire staatsgreep.

De coup verraste vriend en vijand – zowel in binnen- als buitenland. In korte tijd veranderden verdere gebeurtenissen het democratische modelland Mali in een van de meest instabiele en gevaarlijkste landen van Afrika. De Malinese staat lijkt elke dag verder uit elkaar te vallen, het prille en broze proces van natievorming dat na de onafhankelijkheid op gang was gekomen lijkt terug te zijn bij het begin (1960) en het ontstane machtsvacuüm geeft ogenschijnlijk de vrije hand aan separatisten, terroristen, jihadisten en mensen- en drugssmokkelaars. Ernstige mensenrechtenschendingen zijn helaas geen uitzondering meer: straffeloosheid regeert.

Mirjam Tjassing heeft hierover een zeer informatief boek geschreven. Het is beslist een aanrader voor iedereen die meer wil weten over de oorzaken van het huidige conflict in dit West-Afrikaanse land en de perspectieven op verbetering. Het boek heeft helaas niet de aandacht gekregen die het verdient, ondanks wat recensies en radio-optreden. Er zijn de laatste jaren meer Nederlandstalige boeken over Mali verschenen, maar geen van hen heeft het informatieniveau van Tjassing’s werk. Laten we eens wat dieper op haar boek ingaan.

Allereerst het doel van haar boek. Zijzelf omschrijft het als 'op een rijtje te zetten wat ik van Mali begrepen meende te hebben (…). Dit boek is een getuigenis van het beeld dat ik heb opgebouwd (…). Een beeld dat ik graag wil delen om de kennis over Mali in Nederland te helpen vergroten.' (blz. 9). Bescheiden voegt zij eraan toe niet te pretenderen de waarheid in pacht te hebben. Deze eerlijkheid vooraf is belangrijk: we hebben hier niet te maken met een pretentieuze, doorwrochte analyse op basis van veld- en/of literatuuronderzoek of de (soms) luchtfietserij van officiële beleidsnotities, maar met een weergave van persoonlijke ervaringen, opgedaan tijdens een lang verblijf in een complex land.
Mirjam Tjassing was als diplomate werkzaam in Mali. Haar positie hield derhalve een beperking in van haar belevings- en ervaringswereld. Als voormalig diplomaat op een Nederlandse ambassade in een Afrikaans land kan ik hier uit eigen ervaring spreken.
Nederlandse diplomaten in het buitenland staan met één been in ‘Den Haag’ (d.w.z. het ministerie van Buitenlandse Zaken), en met één been in de lokale Nederlandse ambassade – terwijl daarnaast van hen wordt verwacht dat zij voeling hebben met de lokale maatschappij en kennis ontwikkelen over het land waar zij zijn gestationeerd. Een moeilijke taak.

Vanuit deze achtergrond heeft Mirjam Tjassing een goed boek geschreven. Zij toont overduidelijk aan dat zij een uitstekend inzicht heeft in de problematiek die Mali momenteel in zijn greep houdt. Haar vlotte schrijfstijl vergemakkelijkt het lezen over de complexe materie en de veelheid van elkaar bestrijdende partijen. Hoofdstuk 2 leest als een goede introductie in een Afrikaans land voor beginners. Goed uitgelegd en boeiend beschreven. Ze beschrijft het ineenstorten van Mali, wat ze vergelijkt met het ineenstorten van een kaartenhuis, in de eerste helft van haar boek. Het is op mij overgekomen als een accuraat verslag van een turbulente periode. De politieke ontwikkelingen in Mali gaan snel en derhalve is een deel van het beschrevene inmiddels achterhaald, maar dit kan de auteur vanzelfsprekend niet aangerekend worden. De conflicten tussen bevolkingsgroepen en de aanvallen van terroristen vinden in toenemende mate plaats buiten het oorspronkelijke conflictgebied, het noorden van Mali, waar in 2012 opstandige Toeareg kortstondig de onafhankelijke staat Azawad uitriepen. De schrijfster geeft de lezer inzicht in de complexe Toeareg-maatschappij, met zijn onderverdeling in Ifoghas, Idnan en Imghad Toearegs (blz. 112). Ook gaat zij in op het belang van de godsdienst (de islam) en de rol van religieuze leiders als Imam Mahmoud Dicko, voorzitter van de ‘Haut conseil islamique du Mali’ (HCIM, de Hoge Raad van de Islam in Mali) en Chérif Madani Haidara, vice-voorzitter van de HCIM, die zij ‘misschien wel dé machtigste religieuze leider in Mali’ noemt (blz. 72). Het is jammer dat de schrijfster niet uitgebreid ingaat op de (bestaande of vermeende) banden van deze religieuze leiders met rebellen- en terroristenorganisaties. De schrijfster verdient daarentegen een compliment met haar heldere opsomming en analyse van de veelheid aan strijdende partijen, soms met een politiek karakter, vaker met een terroristisch doel.
Hoofdrolspelers zijn hier onder meer Iyad Ag Ghaly, een Ifoghas Toeareg – die van Toearegrebel en -separatist in de jaren 90 van de vorige euw diplomaat werd en momenteel leider is van een fusie van terroristengroepen – en El Hadj Ag Gamou, een Imghad Toeareg, generaal in het Malinese leger en leider van GATIA, een gewapende groep waarvan niet duidelijk is welke banden het heeft met de regering van president Ibrahim Boubacar Keita in Bamako. Helaas blijft de rol van de Algerijnse terroristenleider Mokhtar Belmokhtar onderbelicht in het boek. Hoezeer de hoofdrolspelers in het Malinese drama soms met elkaar verweven zijn blijkt niet altijd uit het boek. Zo trouwde Iyad Ag Ghaly met de ex-vrouw van Ag Gamou, Anna Walet Bicha, een voormalige Toearegstrijdster uit de jaren 90 van de vorige eeuw.

De perspectieven
In het laatste deel van haar boek ontvouwt de schrijfster haar visie op de toekomst van Mali. Sleutelwoorden en –begrippen zijn hier: democratie, decentralisatie en het versterken van de legitimiteit van de staat. Ontwikkelingssamenwerking kan hierbij een grote rol spelen (blz. 204). Tjassing heeft voor ogen om een nieuw machtsevenwicht te helpen vestigen, tussen de bevolking en haar elites (blz. 205). Verkiezingen, communicatie en verantwoording spelen hierbij een grote rol (blz. 205-206). Zij besluit haar boek met de opmerking dat bij het zoeken naar oplossingen – die uitgaan van de behoeften en prioriteiten van de Malinese bevolking en bijdragen aan het vertrouwen tussen de burger en de staat – ons land, Nederland, een voortrekkersrol speelt (blz. 206).

Het zijn interessante gedachten. Ik plaats hierbij graag de volgende kanttekeningen, als aanzet tot een verdere discussie over deze onderwerpen.
(1) Wat betreft democratie: volgens de VN kan minder dan een op de drie volwassen Malinezen lezen en schrijven – voor volwassen vrouwen ligt dit percentage zelfs nog lager: 12%. Hiermee scoort Mali slecht, zelfs voor Afrikaanse begrippen. Hoe kan democratie en alles wat hiermee samenhangt gedijen in een samenleving waarin de meeste kiezers analfabeet zijn?
(2) Dan decentralisatie: in het ‘Pacte national’ van 1992 was een belangrijke rol toegekend aan decentralisatie bij de oplossing van de problemen in het noorden van het land. In hoeverre was dit een ‘oplossing’ die vanuit de Malinese politiek kwam of uit de koker van buitenlandse belanghebbenden? Hoe dan ook, van de decentralisatie van verantwoordelijkheden en geld naar lokaal niveau is nauwelijks iets terecht gekomen, zoals de auteur betoogt (blz. 74). Is ‘decentralisatie’ verenigbaar met de wens c.q. behoefte van nationale leiders een sleutelrol te blijven spelen in de nationale politiek? Is ‘decentralisatie’ haalbaar in een land waar ambitieuze lokale leiders persoonlijke belangen stellen boven het nationale (of regionale) belang? Decentralisatie zonder overheveling van financiële middelen naar lokaal niveau is een wassen neus. Maar is het realistisch te veronderstellen dat de centrale regering vrijwillig afstand doet van schaarse middelen?
(3) De legitimiteit van de centrale staat en het belang van een rechtsstaat: naar mijn mening ligt hier de grootste uitdaging. De geschiedenis (in Europa en Noord-Amerika) toont aan dat er geen echte ontwikkeling mogelijk is zonder een goed functionerende rechtsstaat, gekenmerkt door een onafhankelijke rechtsspraak, de scheiding van de drie machten – de wetgevende, uitvoerende en gerechtelijke macht – en een overheid die zich inspant ten behoeve van de traditionele en sociaal-economische mensenrechten. Is dit een eurocentrische visie? Is dit wel van toepassing op ‘Afrika’? Het is goed hierbij stil te staan.
(4) Hiermee komen we ook bij de rol van ontwikkelingssamenwerking, bepleit door de auteur. Zij formuleert – heel legitiem – een groot aantal filosofisch getinte vragen (blz. 104-105), waarvan de belangrijkste wellicht is: ‘Wie bepaalt wàt?’ In kringen van donoren wordt soms besmuikt gemompeld: ‘Wie betaalt, bepaalt’. Malinezen hebben in dit opzicht hun eigen wijsheid: ‘De hand van degene die geeft is altijd boven de hand van degene die ontvangt.’ In het verleden is – niet alleen in Mali – teveel beslist door buitenlandse actoren in plaats van dat geluisterd werd naar lokale belanghebbenden.
(5) Tot slot, ik stipte het hierboven al aan, de rol van externe actoren. Dat zijn er nogal wat in Mali. Op de eerste plaats Frankrijk, de voormalige kolonisator, die Mali in 2013 met een militaire interventie van de rand van de afgrond redde. Nog steeds is de rol van Frankrijk cruciaal – en veel belangrijker dan die van de VN-missie Minusma (Mission multidimensionnelle intégrée des Nations Unies pour la stabilisation au Mali) die door een te beperkt mandaat grotendeels ineffectief is (helaas onvoldoende belicht door Tjassing). In de regio spelen Algerije, Burkina Faso, Niger en Tsjaad een grote rol. In dit verband is het van belang de G5 Sahel groep te noemen, een regionale samenwerkingsorganisatie voor ontwikkeling en veiligheid in West Afrika die behalve de genoemde drie Sahellanden ook Mali en Mauritanië omvat.

Tot slot
Ik kan Mirjam Tjassing’s boek van harte aanbevelen aan zowel de gevorderde als de beginnende belangstellende in Mali. Maar is er dan helemaal niets aan te merken op haar boek, in kritische zin? Jazeker wel. Ter afsluiting van deze bespreking volgen vijf punten van kritiek.
(1) Op veel plaatsen in haar boek uit de auteur zich als spreekbuis van de Nederlandse ambassade waar zij werkte. Dit komt haar onafhankelijke positie en geloofwaardigheid naar de lezer niet ten goede, ook al ben ik persoonlijk overtuigd van haar oprechtheid.
(2) Bij herhaling wordt de huidige president van Mali, Ibrahim Boubacar Keita (IBK) bekritiseerd. Hier is waarschijnlijk alle reden toe. IBK werd in 2013 op democratische wijze tot president gekozen en is in 2018 aan zijn tweede mandaat begonnen. IBK is getrouwd met Aminata Maïga, die afkomstig is uit de noordelijke stad Gao, de vroegere hoofdstad van het grote Sonraï-rijk. Via zijn vrouw heeft IBK toegang tot het enorme netwerk dat de Maïga’s bieden. Via zijn vrouw heeft IBK ook een enorme kennis opgebouwd van het noorden. Beide aspecten zijn van groot belang om zijn visie op Mali’s problemen en perspectieven te duiden. Dit komt onvoldoende aan de orde.
(3) Tenminste twee keer (blz. 133 en 141) geeft de schrijfster informatie die voortkomt uit haar werk binnen de ambassade. In hoeverre gaat zij hiermee haar boekje te buiten?
(4) Het zou de leesbaarheid van het boek ten goede zijn gekomen indien het een uitgebreidere Register zou hebben gehad alsmede een Lijst van afkortingen.
(5) Tijdens haar zes jaren in Bamako zag Mirjam Tjassing niet alleen Mali als een kaartenhuis instorten, maar ook haar huwelijk. Het is de vraag wat de relevantie ervan is dit te vermelden in een boek dat als doel heeft de Nederlandse betrokkenheid bij Mali te vergroten. Overigens deel ik dit streven, waaraan dit boek mijns inziens een belangrijke bijdrage kan leveren.

Mirjam Tjassing werkt sinds medio 2018 voor het Nederlandse Instituut voor Meerpartijendemocratie (NIMD) en is gebaseerd in Bamako.

Meer artikelen over

Reacties

3 Replies to “Een kaartenhuis – Mirjam Tjassing over de crisis in Mali

  1. Beste Fred van der Kraaij,
    Allereerst wil ik mijn dank uitspreken voor deze grondige recensie van mijn boek. Ik concludeer eruit dat ik in mijn belangrijkste missie geslaagd ben: Mali voor een zo groot mogelijk publiek inzichtelijk maken. Ik heb dat willen doen door middel van een persoonlijk relaas – misschien volgens sommigen te persoonlijk -, waarbij ik zoveel mogelijk Malinezen zelf aan het woord heb gelaten. Ik heb aan alle personen die opgevoerd worden toestemming gevraagd hun citaten te gebruiken, en die gekregen. Desalniettemin is het mijn verhaal en ben ik de spreekbuis van niemand. Zeker ook niet van de ambassade of het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Ik heb ontslag genomen van het Ministerie om geheel vrij mijn mening te kunnen geven, ongehinderd door de ambtenarenwet. De lezer mag er dus vanuit gaan dat ik inderdaad oprecht ben.
    Ik wil in deze reactie graag ingaan op een aantal van de kanttekeningen die Fred van der Kraaij plaatst. De eerste, over analfabetisme en democratie is er één die me zeer aan het hart gaat. Ik begrijp de vraag, maar kan ook daar kanttekeningen bij terugplaatsen. Ten eerste: analfabetisme maakt toegang tot informatie lastig, maar zeker niet onmogelijk. Het betekent natuurlijk wel dat er op de juiste manier gecommuniceerd moet worden tussen bestuurders en bevolking, want als de bestuurders uitgaan van een in het Frans geletterde bevolking, dan gaat er natuurlijk iets mis. Mali heeft een orale cultuur, en juist in deze tijden, waarin Malinezen in de meest afgelegen gebieden over smartphones beschikken, en audio en audiovisuele berichten kunnen opnemen en delen via sociale media, is het beheersen van het lezen en schrijven van de Franse taal echt niet meer nodig om geïnformeerd te zijn. Daarnaast zijn er nog de zogenaamde griots, die in de traditionele samenleving de rol van communicator spelen.
    Een tweede kanttekening betreft de definitie van democratie. Democratie, zoals ik het in mijn boek bedoel, is een vorm van bestuur waarbij de stem van het volk gehoord wordt en bestuurders als legitiem worden ervaren. Het model voor deze vorm van bestuur kan een andere zijn dan degene die vanuit het westen is overgenomen. Afrika bestuurde zichzelf lang voordat het gekoloniseerd werd, en het kende lange perioden van stabiliteit. Besluitvorming kwam vaak tot stand door lange praatsessies onder een boom, of onder een afdakje zoals bij de Dogon (ik kan aanbevelen het woord toguna eens te googelen). Niet kunnen lezen en schrijven betekent niet dat je niet weet hoe je bestuurd wil worden of wat goed en belangrijk voor je is. In de traditionele samenleving was het de chef die besluiten nam, maar wel en alleen na iedereen gehoord te hebben. En zeker, de samenleving was hiërarchisch georganiseerd, en niet iedereen had hetzelfde recht van spreken. Ik idealiseer dat systeem ook zeker niet. Maar er waren normen en waarden die de chef in zijn macht beperkten, en mechanismen die maakten dat er afgewogen besluiten werden genomen.
    En laten we wel zijn, zo ideaal is onze moderne democratie ook niet. Het is een politiek systeem dat representatief zou moeten zijn door het houden van verkiezingen, en dat alle burgers zogenaamd gelijke rechten toebedeelt, maar dat zich in de praktijk steeds minder waarmaakt omdat het op allerlei manieren, maar vooral door geld en macht, gemanipuleerd kan worden. Het helpt niet dat die vorm van democratie pas sinds 1991 bestaat in Mali, en dus nog erg nieuw is. Het is waar dat veel Malinezen zich de werking van die westerse democratie niet eigen hebben gemaakt, ofwel omdat het hen nooit is uitgelegd, ofwel omdat het niet in hun belang is. Dat is problematisch, maar niet onoplosbaar, en zeker niet in de eerste plaats het gevolg van analfabetisme.
    Mijn belangrijkste vraag is echter: zo geen democratie, wat dan wel? Er wordt vaak dromerig gesproken over verlicht dictatorschap. Alsof dat verlicht zijn uit de lucht komt vallen! Maar dictatuur geeft geen enkele garantie op verlichtheid èn stelt het volk niet in staat om in te grijpen als het ontevreden is. Alleen democratie doet dat. En tot slot: als geletterdheid zo belangrijk is, waarom zijn Malinezen dat dan zo weinig? Wat is daar misgegaan? En hoe kan dat rechtgezet worden? Als de bevolking geletterdheid belangrijk vindt, dan is echte democratie de beste manier om onderwijs af te dwingen.
    Dan de vraag naar decentralisatie en belangen. Er wordt vaak als argument tegen decentralisatie gegeven, dat het land riskeert te fragmenteren onder de persoonlijke of cliëntelistische belangen van lokale leiders. Maar die persoonlijke en cliëntelistische belangen spelen op nationaal niveau net zo goed een destructieve rol, dus dat is geen argument. Decentralisatie is om twee redenen belangrijk: 1) omdat het het mogelijk maakt om de enorme diversiteit van Mali beter te accommoderen, en 2) omdat de afstand tussen de bestuurder en de burger veel kleiner is, zodat de verantwoordingsrelatie gemakkelijker vorm te geven is buiten de verkiezingen om.
    Of het realistisch is dat het centrale gezag afstand doet van haar macht ten gunste van het decentrale niveau? In ieder geval hebben we kunnen constateren dat het verzet groot is. Inderdaad: in het Pacte National van 1992 werd al over decentralisatie gesproken, en toch is er nog veel, heel veel te doen, zeker op het gebied van het overhevelen van middelen. Het is niet voor niets dat het onderwerp weer op de agenda staat van het vredesakkoord van 2015, en dat er nu een percentage van 30% genoemd voor de overheveling van middelen naar decentraal niveau. Op dat percentage liggen in we in 2019 alweer ruim achter. Het excuus is altijd dat er onvoldoende capaciteit is op lokaal niveau, maar daar had natuurlijk sinds 1992 wel het één en ander aan gedaan kunnen worden als de wil daartoe bestond…
    Maar de vraag laat precies het dilemma zien: als machthebbers geen macht willen delen, en slecht bestuur leidt tot geweld en migratie, wie staat er dan op voor de bevolking? Heeft de internationale gemeenschap daarin een rol te spelen? En kan de internationale gemeenschap überhaupt in Mali actief zijn zonder (bewust of onbewust) een zijde te kiezen? Leidt onze bijdrage aan stabiliteit daadwerkelijk tot stabiliteit?
    Dan de legitimiteit van de staat. Die is voor mij heel simpel: de staat is legitiem als de bevolking dat vindt. En die bevolking moet dus bepalen wat daarvoor nodig is. En hoe de staat daartoe ingericht moet worden. Ontwikkeling is een begrip waar we voorzichtig mee moeten zijn: wat betekent dat? Naar welk model werken we toe? Wat vind men belangrijk in het leven? Is dat financiële rijkdom, of het hebben van veel kinderen, of het leven in harmonie met de natuur? Ik geloof heilig in het belang van een rechtsstaat en de scheiding der machten, maar wat ik vind is niet zo relevant. Waar het om gaat is dat de Malinezen zelf hun ideeën gaan vormen over hoe zij hun staat ingericht willen zien. Dat is waarom ik met mijn boek bovenal de stem van Malinezen heb willen laten horen.
    Tot slot nog een opmerking over president IBK en zijn vrouw. Ik ben historica. Vanuit die achtergrond ben ik ervan overtuigd dat individuen maar zeer zelden de koers van de geschiedenis beïnvloeden, omdat we allen het product zijn van onze historische, socio-economische en culturele context. Juist aan die context heb ik in mijn boek aandacht willen geven. Dat neemt niet weg dat personen die bepaalde instituties vertegenwoordigen, daarvoor politieke verantwoordelijkheid dragen. Het is moeilijk een boek over de crisis in Mali te schrijven zonder dat hier en daar de politieke leiders genoemd worden.
    Net als alle Malinezen hebben president IBK en zijn vrouw enorme netwerken die verschillende etnische groepen doorkruizen. Ik wil een kanttekening plaatsen bij de opmerking over de kennis over het noorden die IBK via zijn vrouw zou hebben opgebouwd, zonder dat dit over IBK en zijn vrouw gaat, want die ken ik namelijk niet persoonlijk. Eén van de grote misverstanden over Mali die ik in mijn boek heb willen adresseren, is dat er een conflict zou zijn tussen het noorden en het zuiden van Mali. Er is eerder een conflict tussen verschillende belangen, die vaak gelieerd zijn aan levenswijzen en daarmee gedeeltelijk samenvallen met etnische identiteit. De Sonrhai, de etnische groep van president IBK’s vrouw, zijn een sedentaire bevolkingsgroep uit het noorden. Dit betekent enerzijds dat ze de realiteit van het noorden goed kennen, maar eveneens dat de kans bestaat dat ze die realiteit door een hele specifieke, sedentaire, bril zien. Omdat ik niet heb willen speculeren over de vooroordelen die vertegenwoordigers van de staat zouden kunnen hebben, ben ik ver gebleven van het toewijzen van karakteristieken, kennis en netwerken aan personen die ik niet ken, op basis van hun etnische identiteit.
    Ik denk hiermee de belangrijkste punten uit de zorgvuldige bespreking van Fred van der Kraaij te hebben aangestipt. Zoals ik in mijn voorwoord schreef: mijn boek is vooral bedoeld als aanzet tot debat. Ik ben dan ook erg benieuwd naar de reacties van andere lezers. Over deze punten, of juist hele andere. Ook hoor ik graag of er punten onduidelijk zijn gebleven, aarzel niet om vragen te stellen. Ik zal mijn best doen ze te beantwoorden.

  2. Beste Wil van Drimmelen,

    Veel dank voor je reactie! Het is altijd een uitdaging om ergens verder over na te denken. Het is inderdaad triest voor de bevolking van Mali, maar niet uitzichtloos! Malinezen zijn levenskunstenaars en zitten niet gauw met hun armen over elkaar. Mirjam Tjassing’s boek is een aanrader, maar hoeft niet in één adem uitgelezen te worden! Beetje-bij-beetje is ook prima.
    Sterkte met nadenken en als ik vragen kan beantwoorden, aarzel niet ze te stellen!
    Hartelijke groeten, Fred VDK
    PS Ben je de zus van Toos?

  3. Het geeft mij veel om over na te denken.
    Het is triest voor de bevolking.
    Ik zeg niet dat ik het boek zal lezen maar bedankt voor jouw uiteen zetting

Geef een reactie