Focus op Liberia en Mali

De toekomst van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking

Fred van der Kraaij. Op de ‘Afrika Dag 2016’ van de Foundation Max van der Stoel – 5 november j.l. – was een van de vele sessies gewijd aan de toekomst van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. De hoge opkomst in deze sessie mag als een teken gezien worden dat het onderwerp nog steeds een centrale plaats in de belangstelling van het jonge en oude publiek inneemt.

Drie vertegenwoordigers van politieke partijen schetsten hoe de Nederlandse ontwikkelingshulp er volgens hun partij de komende jaren uit zou moeten zien. Met alle respect voor de individuele politici, helaas heeft ervaring uitgewezen dat beloftes van politieke partijen geen garanties geven voor de toekomst.
Neem nou de PvdA, coalitiegenoot in een ongemakkelijke, opportunistische regeringscombinatie met de VVD, een partij die het van oudsher niet zo begrepen heeft op ontwikkelingshulp en eerder aan de eigen portemonnee denkt. Sinds de start van Rutte-II in 2012 duikelde de begroting voor ontwikkelingssamenwerking met enkele miljarden euro’s (!), en verliet Nederland zonder blikken of blozen de internationaal overeengekomen verplichting om 0,7% van het Bruto Nationale Product (BNP) te besteden aan ontwikkelingsshulp. Steun aan naar Nederland gekomen asielzoekers is schaamteloos onder het hulpplafond geschoven. Een PvdA-minister werd bereid gevonden dit afbraakbeleid uit te voeren in combinatie met een beleidswijziging die meer dan voorheen het Nederlandse bedrijfsleven toegang gaf tot de ontwikkelingsgelden. Haar naam: Liliane Ploumen, minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Wat is er geworden van de idealen die Nederlandse politici ooit koesterden als het ging om ontwikkelingshulp – zoals het toen nog heette?

Nederland was in de vorige eeuw en tot 2012 in tal van opzichten voorloper, ons land gaf de toon aan en oogste internationale bewondering. Toegegeven, het was toen niet alleen maar rozengeur en maneschijn. ‘Oda-vervuiling’, zoals het onder het hulpplafond schuiven van uitgaven die er niet thuis horen ook wel wordt genoemd, kwam ook in de jaren 90 van de vorige eeuw voor, en verspilling van ontwikkelingsgelden door onjuist uitgevoerde hulpprojecten en -programmas’ is helaas van alle tijden. Beleidswijzigingen en veranderingen in de lijst van ontvangende landen zijn ook van alle tijden. Wat echter het meeste opvalt in al deze jaren is dat alle veranderingen zonder uitzondering werden besloten en opgelegd door de donor, in dit geval Nederland.
In 2008 hekelde een omvangrijke evaluatie van het Nederlandse bilaterale Afrikabeleid – uitgevoerd door de onafhankelijke evaluatiedienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken, de IOB – het ‘donor-driven’ karakter van de Nederlandse hulp aan Afrika. De IOB-conclusie ‘ownership van ontvangende landen is een wassen neus’ deed indertijd veel stof opwaaien, zowel binnen het ministerie als er buiten. ‘Ownership’ staat hier voor zeggenschap van ontvangende landen. Inderdaad, in de praktijk beslist de donor (=Nederland) alles, maar dan ook álles: welke landen hulp ontvangen, welk bedrag zij krijgen, wie in deze landen hulp ontvangen, wat voor hulp zij ontvangen (projecthulp of zogenoemde programmahulp), in welke vorm (schenkingen of leningen), hoelang (gedurende één of meerdere jaren) en waarvoor (sector, thema). Ten aanzien van dat laatste waren er nogal eens wijzigingen in het beleid.
In de jaren 70 van de vorige eeuw, toen de Nederlandse ontwikkelingshulp echt vorm begon aan te nemen en uit welke jaren ook de 0,7% verplichting stamt (1970), was het beleid vooral gericht op plattelandsontwikkeling en streekontwikkeling in hulp ontvangende landen. In de jaren 80 werd ‘structurele aanpassing’ het tovermiddel gevonden, gevolgd in de jaren 90 door ‘goed bestuur’. De Muur was toen immers gevallen en de Koude Oorlog (dacht men) voorbij, waardoor voortaan steun aan eenpartij-regimes en dictaturen uit den boze was. Na de eeuwwisseling leek het er even op dat (algemene en sectorale) begrotingssteun de nieuwe panacee zou worden. Toen dat niet bleek te werken hadden politici en beleidsmakers in Den Haag ineens het ei van Columbus ontdekt: wat wel zou helpen is gebruik te maken van de ervaring van het Nederlandse bedrijfsleven!

Al die tijd, sinds het begin van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking, is het dus de donor die beslist. Landen die de hand moeten ophouden omdat zij onvoldoende eigen middelen en expertise hebben, trekken voortdurend aan het kortste eind. Vindt Nederland – om welke reden dan ook – dat het tijd wordt een einde te maken aan de ontwikkelingsrelatie? Nou, dan heb je als ontvangend land gewoon pech gehad! Vindt Nederland dat een land – om niet altijd heldere redenen – ineens kwalificeert om hulp te krijgen? Bingo! En nu is er een nieuw beleidsthema populair aan het worden, gestimuleerd door de internationale vluchtelingencrisis: het bestrijden van de internationale migratie. Nederlandse ministers reizen naar het Midden-Oosten, Noord-Afrika en de Sahellanden om een en ander uit te leggen. Afrikaanse politici zijn meestal te beleefd om de goede gever de waarheid te vertellen. ‘Je moet een gegeven paard niet in de bek kijken’: je moet niet kritisch zijn over iets wat je cadeau krijgt. Zij weten wel beter dan die goede gevers, die soms nauwelijks verhulde eigenbelangen nastreven. In alle Afrikaanse landen bestaat meer dan 50% van de bevolking uit jongeren, vaak zonder baan, zonder perspectieven in eigen land. Zij willen inkomen, zij willen werk. Als ze dat in eigen land konden vinden zouden ze hun land niet verlaten. Wanneer gaan we eindelijk eens luisteren naar Afrikanen die meer verstand dan wij hebben van de problematiek van hun continent?

Het is hoog tijd dat aan de hierboven beschreven ongelijke verhouding een einde komt. Het donorgestuurde karakter van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking is aftands beleid, oud beleid. Het is niet meer van deze tijd. Begrijpen Nederlandse politici dit nog steeds niet of wíllen zij het niet begrijpen?

Binnenkort op deze plaats meer ideeën en suggesties voor de toekomst van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking.

Reacties

4 Replies to “De toekomst van de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking

  1. Helder artikel en goed geschreven. Bij de analyse van de beleidsveranderingen in de jaren negentig zou vermeld mogen worden dat er ook met het onderwerp milieu is afgerekend. Niet in de laatste plaats omdat de betrokken BuZa directie zelf met een ”soort evaluatie rapport” is gekomen (die helaas weinig publiciteit heeft gekregen) waarin gesteld werd dat het met de integratie van het milieubeleid in het bilaterale beleid wel goed zat. Daarna is langzaam maar zeker het milieubeleid uitgefaseerd. Het lijkt me dat deze conclusie, nu 10 jaar later, bewezen heeft onjuist te zijn.
    Wat mij zelf meer en meer opvalt in het huidige ontwikkelingsbeleid is dat aan de vele regels en voorwaarden waaraan projecten en programma’s moeten voldoen een steeds sterkere neo-koloniale lucht hangt. De doorgeslagen technocratie van het beleid is alleen nog voor vooral westerse deskundigen te begrijpen, creëert een eigen wereld en een eigen dynamiek. En steeds verder los staat van de praktijk van ontwikkelingslanden. Een schrijnend voorbeeld daarvan zijn de vele tenders die er tegenwoordig worden uitgeschreven. Geen ontwikkelingsland die aan de voorwaarden waaraan voldaan moet worden, heeft meegeschreven. En de professionele kennis van de beheerders van deze tenders is beperkt, om niet te zeggen verontrustend. Zij blinken voornamelijk uit in kennis over de Nederlandse procedures die gelieerd zijn aan de comptabiliteitswet en de grote zucht naar controle.
    Een ander opmerkelijke ontwikkeling over de afgelopen 20 jaar is de voortdurende discussie over het inperken van het aantal landen. Daarmee zou de efficiency van het beleid gediend zijn. Maar hoe valt dit te rijmen met bijvoorbeeld een VN organisatie zoals de UNDP of de FAO die over een veel kleiner budget beschikken als Nederland maar in principe in alle ontwikkelingslanden (mogen) werken. Nederland betaalt daaraan mee! Hoe dit te verantwoorden. Speelt hier ook niet mee dat er nog steeds zoiets als een stilzwijgende afspraak bestaat met de Ngo’s in Nederland dat zij zich niet met het bilaterale en multilaterale beleid bemoeien van Nederland tenzij nieuwe beleidsteams van de Nederlandse OS aan de orde zijn waaraan deze twee kanalen niet genoeg prioriteit geven. En de Ngo’s wel geacht worden die nieuwe OS prioriteiten direct zelf op te pakken!
    Helaas worden de Nederlandse Ngo’s nu gedwongen om vooral interne maatregelen te nemen om de personeelsomvang en bezuinigen met elkaar in evenwicht te krijgen. Het lijkt erop dat dat ten koste gaat van een kritische houding ten opzichte van de OS beleid; van activist naar crisis manager. Zo lijkt bijvoorbeeld ook de discussie over adaptatie aan klimaatveranderingen nu verzand (zie Parijs en Marrakesh) te geraken in academische onderzoek en hoe toch maar zo veel mogelijk gebruik te maken van de bestaande ODA klimaatfondsen om extra middelen te kunnen verwerven. Dat bij de beoordeling van adaptatie grove beleidscorruptie optreedt wordt maar even voor lief genomen, lijkt het. Slechts een kwart van de projectmiddelen die als adaptatie/klimaat worden aangemerkt door de donoren, zijn onlangs door Adaptation Watch gekenmerkt als adaptatie/klimaat, de rest komt daar niet voor in aanmerking. Je reinste beleidsfraude van ook Nederlandse ambtenaren. Om nog maar niet te spreken over het feit dat de klimaatverandering wordt veroorzaakt door de rijke landen hier en er dus sprake is van compensatie van geleden schade daar. Dat is een internationale verantwoording, namelijk de vervuiler betaalt!. Niet van een gift zoals dat voor ODA het geval is. ODA middelen hebben daar niets mee van doen. Onder het kabinet Balkenende werd er daarom 500 miljoen voor een periode van 4 jaar additioneel uitgetrokken om deze schade op te vangen. Inderdaad de huidige minister Ploumen en haar voorgangers hebben dit beleid volledig verkwanseld.

    1. Dank je Paul voor zowel je commentaar op mijn bijdrage als voor de vele goede gedachten en ideeën in jouw reactie. Teveel om hier op in te gaan, maar we zijn het eens – ook omdat wij de realiteit van ‘BZ’ uit eigen ervaring kennen.

      Ik hoop dat de komende tijd een echte en betekenisvolle discussie over de toekomst van OS oplevert. Het moet afgelopen zijn met vrijblijvend gepraat dat nauwelijks eigenbelang verhult. ‘Ontwikkelingssamenwerking’, met de nadruk op ‘samenwerking’, veronderstelt twee (of meer) partners, die – to say the least – allebei iets in te brengen hebben, die serieus worden genomen. Wat Nederland doet in dit opzicht verdient niet de kwalificatie ‘samenwerking’.

      Helaas kan ik hier niet ingaan op alles waartoe je reactie aanleiding geeft, maar ik hoop dat de heren en dames politici en beleidsmedewerkers in ‘Den Haag’ je opmerkingen ter harte nemen. De a.s. verkiezingen stellen ons in elk geval in staat om degenen die ons hebben teleurgesteld, dit te laten weten: middels onze stem voor de politieke partij waarin wij meer vertrouwen hebben!

      Hartelijke groet,

      Fred

  2. Goed artikel Fred van der Kraaij. Ik ben bezig om iets te schrijven over de toestand vanuit enkele Sahel-landen. We hebben meer dan 40 jaar projecten uitgevoerd maar waartoe heeft dat geleid? In Burkina en Mali zijn na de onafhankelijkheid ongeveer 50 jaar geleden de bevolking verdriedubbeld en ook de voedselproductie. Vooral op het platteland is veel werkeloosheid en jongeren trekken massaal naar de grote steden. Toen ik in 1985 in Mali kwam telde Bamako 300.000 inwoners en nu: 3 miljoen! Geen werk voor hen, geen inkomen, de hulp hielp nauwelijks en de regeringen zijn gevangenen van hun eigen stroperige bureaucratie. Als ik een jonge Saheliaan zou zijn zou ik ook naar Europa willen. helaas in Europa kunnen we dat probleem ook niet oplossen. Wat dan? Ik ben bezig hierover te schrijven. Bram Posthumus heeft trouwens een goed serie op TV gemaakt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *