Kronieken uit Congo

Boottocht op de Congo: het oerwoud

Mart Hovens. We zijn nu 6 dagen onderweg. De heuvels aan weerskanten zijn verdwenen. We varen langs de Kinshasa-Congolese oever. Het is moerassig met enkele hoge bomen. Aan de rand van het water op palen staande schamele hutjes van stro. Vele zijn vervallen of deels door de stroom meegevoerd.

Kleine kinderen in sleetse kleren staren voor zich uit op het platformpje voor de hut. Naast hen een houten rek waar kleine visjes te drogen hangen. Mannen en vrouwen pakken de prauw om naar ons toe te varen. Ze hebben dikke bovenarmen van het roeien. Hun kleren zijn gescheurd en hebben de koffiekleur van de rivier aangenomen. Ik zie hen met niets aankomen en ook met niets weer vertrekken.
Alleen al aan de Congo-Kinshasakant zitten onder deze moerassen dikke veenlagen die evenveel CO2 bevatten als de totale mondiale CO2-uitstoot in 3 jaar. De CO2 zit vast in de ondergrondse afgestorven vegetatie die door zuurstofgebrek niet gecomposteerd is. Net zoals bij houtskool (die ondergronds en dus zuurstofarm verbrand wordt) is de energiewaarde bewaard gebleven. Als de veengebieden ontgonnen worden, komt er O2 bij en barst deze ‘koolstofbom’, met een funeste invloed op ons klimaat natuurlijk. En met de snel groeiende bevolking van Congo is ontginning niet tegen te houden.
Aan de Congo-Brazzavillekant van de rivier loopt dit ongerepte moeras helemaal tot aan Kameroen. In zijn (in Afrikanieuws besproken) hilarische boek Congo zocht Redmond O’Hanlon hier de laatste dinosauriër (althans de ongevleugelde; we weten inmiddels dat alle vogels feitelijk dinosauriërs zijn). Volgens de lokale legende zou een zeer groot dier met een lange nek (vgl. Loch Ness) zich in het moeras ophouden. Een tocht vol ontberingen volgde maar hij vond hem niet.
Onze queeste, geen dinosauriër maar het terugbrengen van een legende naar Lisala, verloopt na de eerste onrustige dagen prima. Vanmiddag wilde Roland zijn optreden voor de bemanning uittesten. Maar het werd grijs, een tegenwind stak op, er kwamen golven aan, en het begon keihard te regenen. Weer was ik toevallig aan het hometrainen (lekker koel) en weer begon de boot te zeer te schommelen om dat voort te zetten. De regen sloeg bij me naar binnen. De kapitein zette de motor in een lage stand, ik denk om op de plaats te blijven en zo niet onverhoeds op een zandbank te stuiten. Maar ik voelde een schok en de kapitein bleek het konvooi bewust op een begroeide zandbank vastgezet te hebben. Om niet op hol te slaan, denk ik nu. Een uurtje later trok hij hem er uit. Ondanks de regen, bliksemschichten en donderslagen voeren we verder. Toch kwamen er prauwen naar ons toe. Doorweekt verkochten de vrouwtjes welgeteld één vis, een paar keiharde mango’s of wat maniokblaadjes.
De volgende dag begint het tropische regenwoud. Aan beide oevers en op de eilanden steken woudreuzen tegen de hemel af, ik denk tot 40-50 m hoog. De kapokboom met zijn plooiwortels, de wurgvijg die zich om andere bomen heen windt. Daaronder de oliepalm, de mangoboom en talloze kleinere bomen, soms een kluitje bananenbomen, en daar weer onder het dichte struikgewas. Aan de oever wordt het woud afgewisseld met papyrusvelden. Steeds meer strooien hutjes op palen. Weinig vogels, alleen enkele zwarte wouwen die onze boot volgen. Ze hopen stukjes vis mee te pikken. Als dat er een lukt, volgt in de lucht een gevecht om het stukje. Tegen de avond verschenen er duizenden zwaluwen boven de rivier. Aan de oever zag ik tweemaal een palmgier met zijn witte vleugels, en twee biddende ijsvogeltjes.
In het regenwoud regent het vrijwel dagelijks. Deze regen heeft geen vochtige wind van boven zee nodig. De enorme hoeveelheden waterdamp komen uit de overvloedige vegetatie van het woud zelf. Het is een korte cyclus van water opnemen voor de groei, water verdampen in de hitte, condensatie tot waterdruppels in de koelere luchtlagen, regen, wateropname, enzovoort. Het is er ook nog eens erg koud bij vandaag. Bij de dagelijkse late lunch warmde ik me aan de houtskoolstoof. Daarna bleef ik in mijn hut. De hutjes aan de beide oevers zien er door de regenwaas troosteloos uit. Een enkeling zit voor de deuropening naar de druppels te staren. De rook komt nu door het dak; er wordt binnen gekookt.
Het Congobassin is na het Amazonewoud het grootste aaneengesloten oerwoud ter wereld. Het is een van beide ‘longen’ van de wereld en een van de 35 biodiversiteitshotspots (en in die zin beschermd). Het is een belangrijke CO2-buffer en gaat zo klimaatverandering tegen. Er leven diersoorten die nergens anders ter wereld voorkomen zoals de okapi en onze naaste verwant, de bonobo. Maar beide zijn intussen ernstig bedreigd. Ondanks de beschermde status verdwijnt het woud door de illegale ontbossing door industriële houtkap en voor de uitbreiding van landbouw- en veeteeltgrond, door verstedelijking, houtskoolproductie, stroperij, en mijnbouw. Dat is zonde want het regenwoud is tevens de supermarkt van de bewoners hier. Als leverancier van wild, medicijnen, rupsen, vruchten, brandhout, houtskool, en prauwen… de auto van de riverain komt uit het bos en zijn snelweg loopt over het water tussen de bossen.
Er meren steeds meer prauwen aan, nu met nieuwe producten als bakbanaan en zoete aardappel. Na gedane zaken varen ze parallel aan onze boot voorbij, achter de boot maken ze vaart door haaks op de straalstroom van de boot te manoeuvreren, en daarna roeien ze met de stroming mee richting land. Ik koop (krijg eigenlijk van mijn buren) mijn ontbijt: een harde mango (die je als en appel kunt eten), een droog broodje (met mijn laatste restje Nederlandse kaas) en het lekkerste drankje ter wereld: verse palmwijn. Ik drink een beetje om niet al meteen ’s ochtends KO te gaan.
De palmwijn wordt boven uit de stam getapt. De tapper klimt met een band om zijn lichaam en de gesegmenteerde stam omhoog, snijdt een jonge scheut los, en laat het licht gefermenteerde vocht in een kalebas druppelen. Vers is het heel verfrissend, zacht, en heeft het nog niet veel alcohol. In de middag is het wat meer gaan gisten, wordt het wat zuurder, en is het minder lekker. In het woud heb ja overal ‘barretjes’, strooien afdakjes waar vrouwen uit grote gele jerrycans, afgedekt met een prop blaadjes, palmwijn in kalebassen of plastic bekers schenken. Met de tijd en dus met het alcoholpercentage, stijgt de stemming daar. ’s Avonds in mijn hut drink ik de rest uit het plastic flesje, inderdaad wat wrang inmiddels. Rondom mijn lamp vermaken de vliegende mieren zich tijdens hun paarvlucht. Het gaat er ruig aan toe want de volgende ochtend ligt de hut vol vleugeltjes.

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *